Judith gaat terug naar haar Twentse roots. Met haar meest persoonlijke project ooit. Eigen stukken en hertaalde jazz standards, met vooral een Latin vibe. Allemaal in het Twents. Ze zingt over haar jeugd op het platteland, over familie en de liefde. En ze vertelt over de Nedersaksische taal en cultuur, van noaberschap tot brommers kiek’n. Een concert vol ontroering en met een warme lach.
Haar EP Op Hoes An met vijf eigen Twentse liedjes is nu uit. Hij staat op Bandcamp en alle streaming platforms.
Judith: "Ik groeide op tussen de weilanden en in de bossen van Twente. En het Twents was voor mij niet meer dan logisch. Toch moest ik eerst in veel andere talen zingen, voordat ik terugkwam bij mijn eigen dialect. En dat voelt als thuiskomen. De klanken zijn voor mij heel vertrouwd. En door Twents te combineren met Latin muziek, waar ik erg van houd, wordt het nog lichter en vloeiender. Teksten schrijven ging helemaal vanzelf. En de zoektocht met mijn familie naar de goede uitspraak was een feest. En ik vind het geweldig om deze muziek, deze persoonlijke liedjes, nu met iedereen te delen"
Judith Nijland | zang
Tico Pierhagen | piano
Pieter Althuis | contrabas
Judith schreef de teksten zelf. Haar ouders keken het na en dialectoloog Harrie Scholtmeijer dacht mee over de spelling.
Hellig
Ie bint zo hellig, ie bint zo kwoad
Ne kopje koffie kost vier euro en dat Engels dat ze praot
En alles get noe digitaal
Dien telefoon wil nich wat ie wil
En geneen is meer normaal
Ze kiekt die an, en zet die nich,
En denkt dat zie alleen bestaot, want als ie proat
Luustert ze nich. Ze goat te snel en haalt die in,
Ze pakt die alles af en a’j d’r wat zeg
Hef dat gen zin
Mer vroger warn ie altied good te pas
Ie wet nog good hoe of het was
Nich lang geleen
De leu hadden nog respect vuur mekaar
Gen gemaar, ze dön wat ze zean
Ie bint zo hellig, ie bint witheet
Ie wet niet eens meer woar dien helligheed nog ower geet
Maar wa wanneer het is begunnen
Diene vrouw hef den keer
Ear seekte nich meer overwunnen
’t Zol mooi wean, um mekaar wat meer te zeen
Zoals wie bint en nich alleen zoals het lik
Een oordeel is aait zo snel kloar
Maar wat is woar
Met ne gekluurde blik
Wie bint zo hellig, wie bint zo kwoad
Maar volgens mie bint wie meer bang
Want wie wet nich woar wie hen goat
Maar loa’w dat dan toch samen wearen
Dan ku’w de helligheed
En het vedreet misschien ne luk omkearen
Boos
Je bent zo boos, je bent zo kwaad
Een kopje koffie kost vier euro en dat Engels dat ze spreken
En alles gaat nu digitaal
Je telefoon wil niet wat jij wil
En niemand is meer normaal
Ze kijken je aan en zien je niet
En denken dat ze alleen bestaan, want als je praat
Luisteren ze niet. Ze gaan te snel en halen je in,
Ze pakken je alles af en als je er iets van zegt
Heeft dat geen zin
Maar vroeger zat je altijd goed in je vel
Je weet nog goed hoe het was
Niet zo lang geleden
De mensen hadden nog respect voor elkaar
Geen gemaar, ze deden wat ze zeiden
Je bent zo boos, je bent witheet
Ze weet niet eens meer waar je boosheid nog over gaat
Maar wel wanneer het is begonnen
Je vrouw heeft die keer
Haar ziekte niet meer overwonnen
Het zou mooi zijn om elkaar wat meer te zien
Zoals we zijn en niet alleen zoals het lijkt
Een oordeel is altijd zo snel klaar
Maar wat is waar
Met een gekleurde blik
We zijn zo boos, we zijn zo kwaad
Maar volgens mij zijn we meer bang
Want we weten niet waar het heen gaat
Maar laten we dat dan toch samen zijn
Dan kunnen we de boosheid
En het verdriet misschien een beetje omkeren
Grös
Alles nij veur mie
Niks gung nog veurbie
Kleane dröppel op het grös
In de wei
Zie gleenstert april, wil meert nich mear
Mer lewer mei
De zun har doarnoa lacht
En maken ‘t korter nacht
Wörmte kön ie kriegen
Ik zet oe in bleui
De kluur in de dagen
Hef het donker verslagen
En de weend in de rug
Die dagen die gungen mie völs te vlug
De reagen geet verdan
Hee kik mie hellig an
Het weeit steeds harrer en ik
Bin alles zat
Het donker bedech
Dat ik nog nich genog heb had
Mer dan is alles stil
Zo helder wat ik wil
As de loch nich blauw is
Denk ik hem wa
De snee maakt de groond wit
En ik wet waor de wörmte zit
Het gleuit dat het vrös
En onder de dekken greuit het grös
Gras
Alles nieuw voor mij
Niks ging nog voorbij
Kleine druppels op het gras
In de wei
Ze glinsteren april, willen maart niet meer
Maar liever mei
De zon had daarna gelachen
En maakte het korter nacht
Warmte kun je krijgen
Ik zet je in bloei
De kleur in de dagen
Heeft het donker verslagen
En de wind in de rug
Die dagen die gingen veel te vlug
De regen gaat verder
Hij kijkt me boos aan
Het waait steeds harder en ik
Ben alles zat
Het donker bedenkt
Dat ik nog niet genoeg heb gehad
Maar dan is alles stil
Zo helder wat ik wil
Als de lucht niet blauw is
Denk ik hem wel
De sneeuw maakt de grond wit
En ik weet waar de warmte zit
Het gloeit dat het vriest
En onder de deken groeit het gras
Pöppel
Zee wandelen op zoaterdag en zeiden nich völ
Oawer ‘t laand duur ’n drek en wel
Ze zag van wied vot zag ne groten en ne kleanen
Verwunderd kieken noar ‘t nije en ‘t bekende
En bie de pöppel, 't weien hard,
Gung de blik omhoog, goh wat mooi was dat
Störig stunnen de beum bie mekaar
Ze zwierden hen en wier, geritsel van de bla
En van de takken nam ‘t kleanen d’r een met
Den is bie ’t hoes in de tuin neerzet
De tak wörden een boom
En ‘t geboesker van de wind
Fluustert nog in de oaren van het kind
De boom greuien wa zo rap
Bie mie doeren ‘t èven, mar ik löw da’k noe snap
Dat dör nich völ te zeggen mien pa völ hef zegd
En aait blif sprekken bie de pöppel langs de weg
Populier
Ze wandelden op zaterdag en zeiden niet zoveel
Over het land door de modder
En wie ze zag van ver, zag een groot en een klein iemand
Verwonderd kijken naar het nieuwe en het bekende
En bij de populieren, het waaide hard
Ging de blik omhoog, goh wat mooi was dat
Statig stonden de bomen bij elkaar
Ze zwierden heen en weer, geritsel van de bladeren
En van de takken nam de kleine er één mee
Die is bij het huis in de tuin neergezet
De tak werd een boom
En het harde waaien van de wind
Fluistert nog altijd in de oren van het kind
De boom groeide wel zo snel
Bij mij duurde het even, maar ik geloof dat ik nu snap
Dat door niet veel te zeggen mijn vader veel heeft gezegd
En altijd blijft spreken bij de populieren langs de weg
Brommers kiek’n
Goa ie met mie met dan kiekt wie
Of diene fiets op dee van mie lik
Brommers kiek’n ma’j ok wa
Maakt mie niks oet, wie hebt vast skik
As ik meu bin, he’k de proemen op
En de oren luk kort an 'n kop
Het vrös mie op de emmer
En dat maakt mie hellig in’n kop
Het duurt dree korten en dree langen
Binnenduur hef nooit um wes,
Toch begriept wie ok op afstand
Meer as hadden wie dichtbie wes
Ik bin onwies wies met die
Maar ik zeg dat ik die wa mag lieden
Want van te direct wean
Ku’j alleen ma 'n skoer deur de been kriegen
Brommers kijken
Ga je met me mee
Dan kijken we of jouw fiets op die van mij lijkt
Brommers kijken mag ook wel
Het maakt me niet uit, we hebben vast plezier
Als ik moe ben, ben ik aan het eind van mijn Latijn
En loop ik op mijn laatste benen
Het gaat flink de mist in
En daardoor kook ik van woede
Het duurt van eeuwigheid tot amen
Binnendoor is nooit om geweest
Toch begrijpen we ook op afstand
Meer dan wanneer we dichtbij waren geweest
Ik ben ontzettend gek op jou
Maar ik zeg dat ik je wel kan lijden
Want van te direct zijn
Kun je alleen maar de wind van voren krijgen
Marie
‘k Heb die nich echt kend, mer völ oawer die heurd
Zwart-wit beelder hebt mien herinnering kleurd
Kan mie hoas nich veurstellen, hoe ‘t wes hef veur die
Tien keender in ‘t nus bie de bakkerie
Aait vedan werken, hoast gen tied vur mekaar
Mer ‘hoes völ muziek en in ‘t midden mien ma
Aj noe had leawd wat ha’j dan toch dach
Ik wol da’k ‘t kon heuren, ik wol da’k ‘t zag
Marie, diene naam droag ik met völ eer
Ik hop da’k het good doo
Mangs vast minder as meer
Niks gung vanzölf, dat heb ie mie leard
En wat ie mie metgaf, is noe nog völ meer weard
‘k Heb die lang kend en ok völ met die proat
Oawer ‘t leawn en d’r noa, of wie ergens hen goat
Tuffels skellen op de del, ik zag die vaak blie
Zovöl keender, zovöl werk bie de boerderie
‘t Hoes mooi aan kaant, met de bloom in de wear,
Aan de oawerkant mien pa en op zunnag met mear
Diene tied ver veuroet, dien verlees völs te groot
Diene leefde he’k veuld tot aan diene dood
Marie, diene naam droag ik met völ eer
Ik hop da’k het good doo
Mangs vast minder as meer
Niks gung vanzölf, dat heb ie mie leard
En wat ie mie metgaf, is noe nog völ meer weard
Marie
Ik heb je niet echt gekend, maar veel over je gehoord
Zwart-wit beelden hebben mijn herinnering gekleurd
Ik kan me bijna niet voorstellen hoe het was voor jou
Tien kinderen in het huis bij de bakkerij
Altijd maar werken, haast geen tijd voor elkaar
Maar een huis vol muziek en het in het midden mijn moeder
Als je nu had geleefd wat had je dan toch gedacht
Ik wou dat ik het kon horen, ik wou dat ik het zag
Marie, jouw naam draag ik met veel eer
Ik hoop dat ik het goed doe,
Soms vast minder dan meer
Niks ging vanzelf, dat heb je mij geleerd
En wat je me meegaf, is er nog veel meer waard
Ik heb je lang gekend en ook veel met je gepraat
Over het leven en erna, of we ergens heen gaan
Aardappels schillen op de deel, ik zag je vaak blij
Zoveel kinderen, zoveel werk, bij de boerderij
Het huis mooi opgeruimd, met de bloemen aan de slag
Aan de overkant mijn vader en op zondag met meer
Je tijd ver vooruit, je verlies veel te groot
Je liefde heb ik gevoeld tot aan je dood
Marie, jouw naam draag ik met veel eer
Ik hoop dat ik het goed doe,
Soms vast minder dan meer
Niks ging vanzelf, dat heb je mij geleerd
En wat je me meegaf, is er nog veel meer waard